Tijgertje?

Er was eens een zwarte kat die op jonge leeftijd al aan zijn lot werd overgelaten. Na maandenlang een zwerfkat te zijn geweest, veel te hebben gevochten en door weer en wind te zijn afgehard en opgeschuurd, kwam hij aan bij een mooi oord. Er waren veel kleine huisjes en bloemen. Ook was er een grote bak met water waarin mensen en glimmende roerloze flamingo’s dobberden. Na een paar weken had hij ontdekt dat de huisjes werden bewoond door steeds wisselende mensen. Hij had ook al snel gezien dat er daar drie katten rondliepen die er al langer woonden. Een rode kater, een witte Siamees en een zwart met bruine lapjeskat. Als ze hem zagen bliezen ze naar hem. Ze zetten een hoge rug op en joegen hem weg. Ze duldden hem niet in hun territorium. Het zwarte katje smachtte echter naar een vaste verblijfsplaats. Hij tijgerde sluipend rond en keek waar de mensen goed op hem reageerden. Meestal als er kinderen waren, maakte hij kans. De eerste keer dat hij werd aangehaald, wist niet wat hij meemaakte. Hij was gevlucht. Hij was zo vaak gemept, dat hij niet eens wist dat een aanraking ook liefdevol kon zijn. Op een gegeven moment kon hij op grote afstand voelen of mensen hem zouden tolereren. Bij de andere katten was dat vermogen niet nodig, omdat zij hem allemaal liever kwijt dan rijk waren. Zo kwam het dat de zwarte kat nog steeds een zwerfkatje bleef, zij het op hetzelfde terrein bij verschillende huisjes of rondom hetzelfde huisje dat steeds van bewoners bleef wisselen. Met de vele littekens die hij in zijn leven had opgelopen vond hij regelmatig toch een zacht plekje om te slapen en de mensen hoorden hem steeds vaker spinnen van tevredenheid. Ook leerde hij hoe hij moest trappelen van genegenheid met zachte pootjes zonder uitgeslagen nagels. Zo werd het wilde verstoten zwerfkatje steeds meer een tamme huispoes. Enkel als hij lag te slapen en droomde over het verleden, veranderde hij in een heus tijgertje. Zijn klauwende pootjes sloegen dan in de lucht en de zon toverde strepen op zijn vacht. De wilde aard werd dan even zichtbaar. Soms leefde hij zijn vechtende streken nog eens uit in de praktijk als hij moest concurreren met de andere katten. Dan nam zijn overlevingsmechanisme het even over. Als hij dan tot bedaren kwam dronk hij hier wat water en daar wat melk. Hij kreeg stukjes vis, werd geleidelijk aan wat voller en stond zijn mannetje steeds beter bij de andere katten. In de kattenorde steeg hij ook in aanzien. De huiskatten zeiden tegen elkaar: het is wel een aanhouder en hij is niet voor de poes. En zo kwam het dat de zwarte kat na vele jaren niet meer werd lastig gevallen. Hij ving de snelste muizen en de rottigste ratten. Eindelijk leidde hij een gelukkig en katzaam leven.