Kruikje van onbehagen

Midden in het bos staat een houten kruikje. Het kruikje is niet zomaar een kruikje. Het verbergt alle herinneringen waarover honderden bosbewoners zich ongemakkelijk voelen. Daarom wordt dit kruikje ook wel het kruikje van onbehagen genoemd. Vele dierengeneraties vertelden over dit oude ritueel aan hun nageslacht. Eeuwenlang werd er door de bosdieren over genante zaken gesproken tegen dit kruikje. Alsof het een levend wezen was dat geduldig en oordeelloos luisterde. Overvolle harten, overschotten van oeverloze tranen en bezwaarde staarten werden erin uitgestort. De oudsten wisten te vertellen dat zij het kruikje nog kenden met enkel een neus. Hun voorouders kenden het kruikje zelfs nog als gave boom. Op een gegeven ogenblik werd de boom gekapt en bleef enkel de onderkant over. Dat weerhield de dieren er echter niet van om te blijven biechten. Want feitelijk was dát wat ze deden. Gedurende de tijd kwam er een linkeroog bij en toen een rechter. De grijnzende mond kwam als laatste. Alsof het kruikje steeds meer lol kreeg om al die onthullingen die aan hem werden toevertrouwd. De huidige generatie kent het kruikje enkel met een scheef lachend gezicht en neemt het kruikje niet meer zo serieus. Zij weet heus wel dat het gewoon een restant van een boomwortel is die toevallig de vorm van een gezicht heeft aangenomen. Ze komen er langs, zwaaien naar de kruik en hupsen, vliegen of kruipen hun bochtige leventje vrolijk verder. Waarom zou dat kruikje hun misstappen zo nodig moeten aanhoren? Wist dat kruikje het dan zoveel beter dan zij? Maakte dat kruikje soms nooit fouten? De kritische vragen van deze tijd ontheiligden het oude gebruik. De ouders vonden het wel moeilijk. Ze vroegen zich af of het opbiechten van vergissingen of opzettelijke slechte daden nou zo verkeerd was? Het was in hun ogen misschien wel het beste wat een dier kon doen? Door het benoemen van je dwalingen, vormt er zich langzamerhand een kruikje van onbehagen in je eigen systeem en kun je op zekere leeftijd en met de nodige levenservaring bij dat stukje van jezelf te rade gaan. Voor de mensheid blijft het de vraag of de jonge bosdieren zo’n kruikje van onbehagen in zichzelf gaan ontwikkelen of dat allang hebben gedaan. Als het al zo is, zullen ze het nooit kunnen zeggen. Maar als het kruikje er nog een derde oog bij gaat krijgen, dan is de kans groot dat er meer zielenroerselen in het kruikje worden gegoten dan dan dat de jonge, ogenschijnlijk nonchalante en ongelovige boswezens zullen toegeven. Daar hoef je niet helderziend voor te zijn.