Zo rond de klok van vijf uur ’s middags schieten de lampjes van de lupine aan. Op dat moment schijnt de zon door zijn bloempjes en komen er allerlei insecten met vleugels op zijn paars met roze licht af. De zweefvliegen, bijen, hommels en wespen vliegen als malloten rond de staak met bloemen, eten er wat van en vervolgen hun avond met gevulde buikjes. Lupinus angustifolius, Angus voor bekenden, kijkt dagelijks uit naar zijn vliegende vrienden. Hij kent ze bijna allemaal bij naam. Hij heeft ze weliswaar niet echt nodig, want hij is zelfvoorzienend als het gaat om bestuiving. Maar gezellig vindt hij het wel. Hij begroet hen met een kleine buiging en zorgt ervoor dat zijn bloempjes er gul bij staan. Als zijn lampjes weer doven, omdat de zon wat verder is gezakt, gaat Angus in ruststand. Angus legt het verband tussen de zon en zijn lampjes niet. Hij weet alleen dat hij opwarmt en zich heel transparant en blij voelt als hij zijn licht begint uit te stralen. In de pauzestand tuurt hij wat in de verte en hoopt dat zijn lampjes snel weer aan gaan. Op bewolkte dagen verveelt hij zich daarom wel eens en voelt zich saai en somber. Hij denkt dat het door zijn stemming komt dat zijn lampjes niet aan springen. Hij probeert zich uit alle macht wat op te fleuren, maar het werkt niet voldoende. Dan hoort hij een vliegje passeren. Hij roept: “Hé vlieg, weet hij soms hoe ik mijn lampjes weer kan laten branden?” De vlieg draait om en landt op een bloemetje. De vlieg heeft nog nooit gehoord van een plant die zijn lampjes kan laten branden. De vlieg krabbelt met wat pootjes op zijn kopje en zegt: “Ik heb werkelijk geen idee. Ik zal het eens aan wesp vragen.” Samen komen ze terugvliegen. Ook wesp lispelt dat hij niets weet over licht in bloemen toveren. We zullen het eens aan de honingbij vragen. Gedrieën komen ze terug bij Angus en ook de bij haalt zijn wollige schoudertjes op. Hij zegt dat zijn vriend hommel het misschien weet, maar ook hommel blijft het antwoord schuldig. Met z’n vieren piekeren ze wat af over het gewenste licht. Met z’n allen zo op Angus, voelt Angus zich weer blij. Net op dat moment breekt er een straaltje zonlicht door en het straalt door Angus heen. De denkende insecten schrikken wakker uit hun overpeinzingen en zien hoe de straal de bloemetjes verlicht. “Het is ons gelukt”, zoemen ze. “Als we met z’n allen hard nadenken, gaan de bloemetjes aan”. Ze vonden het oogverblindend. En zo kwam het dat Angus iedere avond, weer of geen weer, bezoek kreeg van zijn gevleugelde vriendjes. Als de zon het dan toch liet afweten, deden ze nóg harder hun best, vloog de tijd voorbij en hadden ze samen een donkere doch zeer genoeglijke tijd.

