Wilde kamperfoelie

In de schemering loop je door een dorpje met voornamelijk witte huisjes. Al wandelend ruik je een heerlijke geur die je neusgaten instroomt en je kijkt of er toevallig een chique vrouw langsloopt met een verfijnd parfum. Maar nee, je ziet enkel de straat met kinderkopjes en een grote witte muur waaraan een enorme struik hangt te stralen. Je loopt er naartoe en steekt je neus tussen de bloemen. Je wordt bedwelmd door de sierlijke symmetrische bloemen van een wilde kamerfoelie. Er vliegt een vroege nachtvlinder uit de struik die nét jouw oor nog raakt. Je vraagt je af wat deze geur nu zo uniek maakt. Is het de zoetheid of is het dat kruidige randje? En hoe zit dat bij mensen? Is het de stem of uiterlijke verschijning die iemand maakt wie hij is? Zijn het de talenten die naar buiten worden gebracht? Al deze eigenschappen zijn uiteindelijk vergankelijk. Als je veroudert, als je talenten opdrogen of als je stem schor wordt; ben je dan minder? Of juist meer? Hetgeen wat je écht bent, moét iets zijn wat overblijft nadat je alles wordt afgenomen door mensen, gebeurtenissen of gewoon door de tijd. Wat maakt wie je bent is iets ontastbaars en onzichtbaars. Het overstijgt tijd en ruimte. Met ons menselijk brein is dat moeilijk te bevatten. Het valt niet te bewijzen. En tóch lijkt er niets zo waar als dit. Je ziet het in alles wat leeft terug als een soort van licht. Bij het sterven verhuist het naar de plek waar dat licht zich het meeste thuis voelt en voegt zich in een groter geheel. Je vraagt je af wat er zou gebeuren als de tuinman morgen de kamperfoelie weghaalt. De geur zou snel vervliegen. Zou dit eeuwig blijvende principe voor planten anders zijn dan voor mensen? Je raakt wat verstrikt in je gedachten en zucht diep. Voorlopig besluit je te genieten van alles wat zichtbaar en tastbaar is. En je blijft geloven in alles wat onzichtbaar is. Want wat heb je te verliezen? Als het levenslicht in alle wezens inderdaad eeuwigheidswaarde heeft, ben je blij dat je dit altijd al geloofde en aanvoelde. En niet onbelangrijk; je hebt ernaar geleefd. Je liet je licht zo mooi mogelijk schijnen. Net als de kamperfoelie die niet beter weet dan voluit te geuren. Of het nu voor een dag is of voor heel haar plantaardige leven. Voor de zekerheid maak je de volgende dag een foto bij daglicht. Dan is deze pracht in ieder geval langer gevangen. Een mens hunkert blijkbaar toch naar vasthouden van vluchtige schoonheid. Tijdens de invallende avondschemering besef je dat loslaten van het daglicht ons laat oefenen met het houden van vertrouwen dat morgen de zon gewoon weer opkomt. Glimlachend steek je nog één keer je neus in de wilde kamperfoelie en kust haar vol goede hoop vaarwel.