Er was eens een elfje dat Bellefleur heette. Ze deed haar naam eer aan, want het bleek dat ze groene vingers had. Ze kon ieder plantje laten groeien en bloeien. Anderen vroegen naar haar geheim. Ze wist het niet precies. Ze liet haar groene schepsels gewoon hun gang gaan. Ze gaf ze water en heel soms gaf ze hen wat extra voeding. Wat ze zonder dat ze zich daarvan bewust was deed, was goed kijken en luisteren. Ze zag lang voordat een plant er wat verpieterd bij zou gaan hangen dat hij niet goed in zijn hum was. Ze hoorde het ook scherp als het water niet goed geabsorbeerd werd door de grond. Op zo’n moment maakte ze eventjes contact met de plant en ze vroeg of een andere plek of begieting soms beter zou zijn en handelde daarnaar. Zo rommelde ze voor haar gevoel maar wat aan. Met als resultaat weelderige planten. Het elfje kwam in de wijde omgeving bekend te staan als ‘Bellefleur met de groene vingers’. Op een dag kwam er een trol voorbij. Hij vroeg haar mee te gaan naar zijn bosperceel. Hij wilde advies vragen over de verzorging van zijn plantenverzameling. De nieuwsgierigheid van Bellefleur werd gewekt. Wat voor planten zouden dat zijn? De trol liet haar een verlepte aardappelplant zien in een bak. Bellefleur nam het treurende schepsel waar en zei onmiddellijk; maar deze jongen hoort helemaal niet in een potje thuis. Zet hem op het akker en hij zal weer gaan stralen. De trol volgde de goede raad op. En inderdaad; binnen enkele dagen straalde de aardappelplant weer. De inmiddels jaloerse trol was nog niet tevreden. Hij wilde zélf groene vingers hebben. Hij zocht Bellefleur opnieuw op en eiste dat ze haar groene gave aan hem gaf. Het elfje kreeg trillende vleugeltjes, verstopte haar schrik achter haar zanderige vuistje en zei dat ze dat niet kon. De trol bleef drammen tot het elfje er genoeg van kreeg. Ze zei: “Het enige wat ik kan proberen is je van gedaante te laten veranderen en hopen op groene vingers.” Ze waarschuwde de trol dat dit een experiment was. De trol was echter zo hebberig dat hij besloot het risico te nemen. Na een onverstaanbare betovering plofte de trol eerst uiteen en kwam grotendeels onder de grond weer in vorm. Enkel een enorme grote hand die groen bemost was stak boven de grond uit. Zijn wens was vervuld. In de grond vastgeklonken kon hij alleen geen vinger meer verroeren. Het elfje keek geschrokken naar haar creatie, maar durfde hem niet meer terug te toveren. Nooit zou ze haar groene vingers meer branden aan een toverspreuk. Ook niet uit zelfverdediging. Zwijgend gaat ze regelmatig naar deze plek om wat bosvruchten en eikels in de grote groene hand te leggen. En zo kreeg de trol steeds groenere vingers, zonder dat hij er ook maar eentje van kon uitsteken.

