Er waren eens acht geitjes die elkaar al lang kenden. Ze waren vanaf hun puberteit samen opgegroeid en spraken eens in de zoveel tijd af om bij te praten. Ze lachten en zongen veel samen en steunden elkaar waar ze konden. De acht geitjes bestonden uit vier stelletjes. Zeven geitjes gingen op een avond uit eten. De achtste had andere verplichtingen. Uit eten gingen ze niet vaak, dus daardoor was het extra speciaal. Ze gingen naar een culinaire zwaan bij het water die bekend stond om zijn goede kookkunsten. Eén voor één bestelden ze hun gerechten. Hoewel de zes andere geitjes haar hadden gewaarschuwd, bestelde één geit zeewolf. De zes geiten wisten vanuit het verleden dat je echt op je hoede moest zijn voor de wolf, dus zeewolf vonden ze niet bepaald veilig klinken. De roekeloze geit lachte de spanning weg. Ze wilde wel eens een gokje wagen. Hun prachtige gerechten werden opgediend. Iedereen begon te eten. De geit met de zeewolf echter niet. Je zag haar prikken in haar groenten en snijden in de witte zeewolf. Het was taai. En het geurde, maar niet echt lekker. De andere geiten waren gezellig aan het keuvelen en smikkelen. Mmm, geen flauwekul, dacht de geit, ik neem een hapje van die gegrilde zeewolf. De geur maakte haar vast onnodig bang. Maar het werd haar snel duidelijk dat deze zeewolf niets goeds in de zin had. Hij was net zo verraderlijk als zijn landgenoten. Hij oogde mooi, maar was echt heel rot. De geit baalde en vroeg de ober om een ander exemplaar. Snel kreeg ze een andere zeewolf op haar bordje. Hij zag er prachtig glanzend uit. Ze rook zorgvuldig en dacht dat de rottende geur in haar neus was blijven hangen. Ik zal eens laten zien wie hier de moedigste is, dacht de geit. Vol vertrouwen begon ze van het nieuwe exemplaar te eten. Ze proefde en ze meende een lachje te horen in de damp die van de zeewolf kwam. Het was weer mis! De geit spuugde de zeewolf net op tijd terug op haar bord. De andere geiten keken haar meewarig aan. Ze schudden ernstig hun koppen en zeiden: “We hebben je toch gewaarschuwd!”. Ook zeewolven zijn achterbakse rotschepsels. Vervolgens vroegen ze, aardig als ze waren, of ze nog wat van hun veilige varkensvlees wilde hebben. De geit schudde nee. Ze had er een langere sik van gekregen. Als de bliksem zocht ze de staande klok in de aangrenzende ruimte op en hield zich daar twee dagen verscholen tot het moment dat de zeewolf van het menu was verdwenen. Ze wist namelijk dat haar avontuurlijke aard haar toch zou aanzetten om het nog eens te proberen. Heel verstandig, want een derde poging zou de kool en de geit mogelijk niet sparen…

