In een oude klinkerstraat met kleine huisjes die omringt worden door grote tuinen, blinkt er één tuin uit. Niet zozeer omdat hij zo netjes is, maar vanwege de enorme variëteit aan kleuren. De ene bloem tuimelt over de andere. De bijen hebben er last van heuse keuzestress. Op een zonnige zondag zie je achter in de tuin spelende kinderen. Hun moeder houdt al lezende in een boekje wat toezicht. Sinds twee jaar is ze weduwe. Op veel momenten heeft ze het moeilijk en de de kinderen missen hun vader ook ontzettend. Ze praten veel over hem, zodat het lijkt alsof hij nog een beetje bij hen is. Moeder vindt afleiding in haar zorgvuldig aangelegde kruiden- en bloementuin die toch nog voldoende wild is om er natuurlijk uit te zien. Voorbijgangers staan vaak even stil om het geheel te bewonderen. Ze ziet haar planten en bloemen als een soort kinderen. In haar ogen hebben ze een eigen ‘wezen’. Het is alsof de groeisels het voelen, want ze lijken weelderiger en hebben fellere kleuren dan op andere plekken. In de zeldzame rustige uurtjes gaat moeder bij ze zitten en schetst ze de bloemen in hun fijnste details. Ze is verrukt over de symmetrie en hun wonderlijke schoonheid. Soms schildert ze ze daarna met vele lagen olieverf. Maar het lukt haar nooit om ze zo mooi tot leven te wekken als haar vergankelijke tuinexemplaren. Daardoor wordt haar bewondering voor de intelligentie van de ontwerper van haar groene kinderen met de dag groter. Ze brengt haar mensenkinderen zoveel mogelijk liefde voor de natuur bij. De namen van de planten, kruiden en bloemen kent ze allemaal uit haar hoofd. De kinderen kennen ook al veel namen. De kleinste van de kinderen komt nadat hij gevallen is huilend naar zijn moeder en roept wanhopig om zijn vader. Zijn moeder droogt zijn tranen en knippert zelf ook de tranen uit haar ogen. Ze neemt hem mee naar een uitgebloeide bos bloemen. Ze wijst naar de gekroonde bolletjes. Het jongetje kijkt haar verbaast aan en zegt: wat zijn dat? Moeder zegt: dat is uitgebloeide papaver. Ik moest aan deze plant denken toen je om papa riep. Als je de klemtoon anders legt hoor je papa-ver. Maar je weet dat als je aan hem denkt en over hem spreekt, dat hij weer eventjes heel dichtbij ons is. Zo dichtbij dat je hem niet kunt zien, maar wel goed kunt voelen. Meestal in de buurt van je hart. Het jongetje probeert het meteen uit. Hij krijgt een warm gevoel van binnen en zijn ogen beginnen te glanzen. Hij zegt tegen zijn moeder: papa-ver, maar mama dichtbij. Hand in hand lopen ze terug naar de andere kinderen en ze drinken samen een kop thee. De naam papaver zal hun jongste nooit meer vergeten…

