Breek me de bek niet open

Je reis lijkt op spekkoek; een laagje groene pracht met daaroverheen een laagje bruine inspanning. Om en om voeren de ervaringen te boventoon. Door de herrie van de motor is de muziek nauwelijks te horen. Een gesprek voeren zonder stemverheffing is onmogelijk. Je ontwikkelt een haat-liefdeverhouding met je camper. Je draagt er zorg voor alsof het je eigen lijf is, want je bent er compleet van afhankelijk. Je begeeft je de hele vakantie lang in een levensechte schuifpuzzel. Tegelijkertijd speel je constant kwartet: “Mag ik van jou de thermoskan? Ja hoor, als jij mij dan de pindakaas aangeeft”. Hoe sterk dit spel verbindt en tot kolderieke situaties leidt, hoeveel het ook vraagt van je aanpassingsvermogen en geduld. Toch gaat dit verrassend goed. Maar alsof dit nog niet genoeg vergt van je flexibiliteit, begint de camper ook allerlei gebreken te vertonen. Het eerste verduisteringsscherm begeeft het. Je hebt het hard nodig, omdat het niet donker wordt in het hoge noorden. Gelukkig heb je tape bij de hand. De eerste la houdt het voor gezien om nog ooit symmetrisch te sluiten. Hij zit je de hele reis dwars en verrekt het om soepel mee te werken. Het kledingkastje gaat slechts eens in de zoveel pogingen open, dus je besluit je kleding in je tas te stoppen en die zodanig te positioneren dat het open deurtje geen kant meer op kan. Na de kleine mankementen, beginnen de grote. De lampjes van de olie en de motor branden om ‘tourbeurt’ vrolijk hun oranje en rood. Alsof het van boven wordt gestuurd strand je steeds op plekken vlakbij garages. Dát dan weer wel. Gelukkig ben je in redelijke conditie en van het juiste formaat. Per dag ga je tien keer op je hurken om spullen te pakken uit de laagste kastjes en krijg je gratis blaastraining als je je tussen de wand van het kunststof douchehokje en het matras wurmt. Geconcentreerd houd je je evenwicht als je van diverse afstapjes loopt. Het voordeel is dat je niet ver kunt vallen. Daar is het te klein voor. Als je ’s nachts wat water wilt pakken, loop je met je hoofd tegen het omlaag getakelde bed. Op het zo bejubelde ‘allemansrecht’ dat belooft dat je bijna overal mag kamperen wordt helaas in de praktijk flink beknibbeld. Mogelijk ingegeven door de lokale campings staan er op veel uitnodigende plekken verbodsbordjes voor overnachten. En zo beland je op een met zorg geasfalteerde parkeerplaats, bij een wat louche haven en aan een verstild fjord, waar de ook meeuwen hun stille eenzaamheid vol gillen. Je gunt jezelf af en toe een overnachting op een geciviliseerd geprijsde camping. Wat een hindernissen, maar oh, wat is het mooi. Het is zeker geen onbezorgde fijne vakantie. Maar de reis is onvergetelijk en onbeschrijflijk indrukwekkend. Terugkijkend eet je met gemengde nasmaak nog vele plakjes spekkoek van eigen deeg. Net zolang totdat de reis is verteerd en het een avontuurlijke herinnering is geworden.