Houten hart

Er was eens een houthakker die met zijn vrouw en twee kinderen in het bos leefde. Het ontbrak hen aan niets. De vrouw was kostwinner en ging iedere dag naar haar werk in het naburige stadje. De houthakker hield het gezinsleven draaiende en brandende. Hij hielp de kinderen met hun huiswerk en hield het huisje schoon. In verloren uurtjes ging hij het bos in. Hij hield ervan om in het bos te dwalen en te zien wat hij die dag weer zou ontdekken. Zo hield hij zijn zintuigen levendig en zijn hart open. Zijn vrouw echter, kwam iedere dag wat stiller thuis. Ze voelde ze zich lusteloos. De kinderen en haar man merkten het niet op en zo brak de dag aan dat de vrouw geen zin had om naar haar werk te gaan. Ze besloot zonder iets te zeggen ook eens het bos in te wandelen. Wat was het groot! Eerst had ze de weg nog goed kunnen onthouden. Maar de paden begonnen te draaien en ze merkte dat ze verdwaald was. Haar telefoon had geen bereik. Ze stuitte op een boomstam waarop duidelijk een hart was te zien. Ze legde haar hand op haar eigen hart. Klopte haar leven nog wel? Het leek alsof ze onzichtbaar was geworden voor haar gezin. Ze deed iedere dag trouw haar werk, maar er werd haar nooit gevraagd of ze het nog leuk vond. Ze kreeg het eenzame gevoel dat ze niet meer was dan hun oude schommelstoel. Comfortabel en vanzelfsprekend. Een stukje interieur. Ze keek nog eens naar de boomstam en dacht; mijn hart is ook van hout geworden. Ze wandelde door totdat de duisternis viel en probeerde wat te slapen. De volgende ochtend werd ze wakker van de kou en ze liep met haar stijve spieren door tot ze een dorpje tegenkwam. In een café dronk ze koffie en at een stuk appeltaart. Ze hoorde op de radio een opsporingsbericht. Ze zochten haar! Met rode wangen vroeg ze of ze haar telefoon mocht opladen en naar huis mocht bellen. Haar ongeruste man huilde van blijdschap toen hij haar hoorde. Tot haar eigen verbazing zei ze dat alles goed was en dat ze nog wat langer weg zou blijven. Ze wilde pas teruggaan als haar hart weer levendig ging kloppen. Al na twee dagen miste ze haar knusse gezin. Ze zag door haar verdwaalde dagen weer helder wat ze had. Haar werk was niet zo enerverend, maar gaf structuur en inkomsten. Met herwonnen levenskracht liep ze terug naar huis. De kinderen renden blij naar haar toe en er leek een zwaar gewicht van de schouders van haar man te vallen. Zijn stralende ogen keken écht naar haar en ze voelde zich op z’n minst een gloednieuwe schommelstoel. Zo leefden ze nog lang en gelukkig daar in het bos dat hun vermolmde harten weer tot leven had gewekt.