Bloemkoolwolk

Vluchtend uit een alles overheersende hitte, trek je naar een koeler oord en kom je na een lange rit bij een prachtig plekje in de natuur. Dolgelukkig zet je de tuinstoelen en tafel buiten en besluit je voor de eerste keer je luifel uit te proberen. Het is een fragiel ding op wankele pootjes. Maar na wat geklungel staat hij in vol ornaat te stralen. Je settelt jezelf naast de brede melkblauwe woelige rivier die ruisende achtergrondmuziek geeft. Het geluid zorgt ervoor dat je de toiletgang snel moet maken als de eerste aandrang bij je aanklopt. Je haalt de barbecue uit zijn verpakking en legt de kooltjes in de bak. Je kijkt eens om je heen om te zien waar de wind vandaan komt. Tot je grote schrik zie je achter één van de bergen die het dal waarin je staat omringen, een loodgrijze lucht hangen. Met een angstaanjagende snelheid lijken de wolken dichterbij te komen en nemen felle windstoten met zich mee. Jij staat nog met het stof van houtskool aan je handen in een liefelijk zonnetje. Je kijkt nog eens vol ongeloof en ziet andere mensen nog rustig in hun stoelen zitten. Jij voelt echter de ernst van de zaak in al je cellen en begint als een gek alles weer in te pakken. Eerst de luifel, dan de barbecue en tot slot de tafel en stoelen. De wind neemt inmiddels hoge snelheden aan en je ziet een grijze wolk als een monster het dal inkruipen. Hij vreet de bergen op. Het uitzicht is verdwenen. In het dal draait de wind diverse trechters. Je moet uit alle macht het luik openhouden waarin de laatste stoel verdwijnt, trekt je hond de camper in en hoopt dat het niet erger wordt. De camper dendert en de regen roffelt een oorverdovend concert op het dak. Het is angstaanjagend hoe snel het om is geslagen. Er is niets zo veranderlijk als het weer. Het houdt een uur aan. In dat uur glip je op een iets milder moment naar de campingkeuken in een houten hutje wat er al heel lang schijnt te staan. Je kookt daar je maaltje en eet het op. De wolken varen verder nadat ze hun grootste behoefte boven het dal hebben gedaan. Even later verschijnt er weer een waterig zonnetje en kun je zowaar toch je avondwandeling doen. Je slaakt een diepe zucht van opluchting. Je hebt het overleeft. De camper staat nog op zijn plaats, zij het op de laagste plek van het dal. Je sopt je schoenen onder en besluit in die nattigheid toch maar te gaan slapen. Even voel je je een angsthaas. Misschien gebeurt dit hier wekelijks? Is dit hier ‘normaal’? De mensen om je heen lijken onaangedaan. Maar jij weet beter; met het weer valt niet te spotta, zeker niet in de bergen van Otta. Je prevelt een dankgebedje in de richting van de weergoden, valt in een diepe slaap en je droomt over vriendelijke en vertrouwde bloemkoolwolken.