Inktzwam

Wandelend door het bos kreeg een jongeman een zeldzaam sterk druipende inktzwam in het vizier. Het was een prachtexemplaar. De jongen moest er echter niets van hebben. Hij liep er met een grote boog omheen, want hij gruwelde van alles wat zijn handen vies kon maken. Hij wast iedere dag minstens vijftien keer zijn handen. Het liefste met zeep. Iedereen in zijn omgeving zei dat dit niet goed was voor zijn huid. En inderdaad, zijn handen werden steeds schraler en roder. Deze ‘tik’ zat echter zodanig diep in zijn systeem dat hij het niet afgeleerd kon krijgen. Hij verafschuwde de viezigheid aan zijn handen niet alleen, hij was er panisch voor. Toen hij het op een dag zat was en hulp ging zoeken bij diverse psychologen, konden ze hem niet verder helpen. Ze konden niet achterhalen wat de oorzaak was van zijn dwangmatige gedrag. Relativering of ontlading op een andere manier bleek ook onmogelijk. Hij waste zich met borstels en peelings vermoeid door het leven. Via via kwam hij terecht bij iemand die als het ware door de sluiers van de tijd kon kijken. Die persoon gaf hem het fel begeerde inzicht. Eindelijk begreep hij zichzelf en kon hij door dit begrip compassie hebben met zijn vreemde gewoonte. En langzaamaan kon hij het wassen gaan minderen. Wat wil nu het geval? Hij zou in een grijs verleden een miniaturist of verluchter zijn geweest. Dit waren middeleeuwse professies om prachtige verfijnde illustraties te maken of hoofdletters te versieren met gekleurde inkt. Die inkt was vroeger zodanig giftig dat hij noodgedwongen was geweest om alles wat in aanraking was gekomen met de kleurstoffen uiterst zorgvuldig te wassen. Net zolang totdat het brandschoon was. Een miniaturist en verluchter was namelijk als je het goed bekijkt een regelrechte gifmenger. Geen wonder dat er een enorme angst vast kleefde aan vieze handen en de aanblik van de snotterende inktzwam. Het verhaal over zijn vroegere beroep bezorgde de jongen dusdanig veel herkenning, dat er hij als het ware een ‘klik’ voelde in zijn systeem. Alsof er na lange tijd eindelijk iets op z’n plaats schoof. Door het gevallen kwartje met onmiddellijke begrip, viel de giftige last van zijn schouders. Vanaf dat moment voelde hij zich even schoon als zijn medemensen. Sterker nog; het maakte hem op een gegeven moment zo vrij dat z’n omgeving moest hem soms moest herinneren aan het feit dat het wel weer eens tijd werd om zich te wassen. En dat deed hij dan graag met zachte hydraterende zeep met bellen van onschuld en ter compensatie van zijn eerdere hardhandigheid droogde hij zich daarna af met fluwelen handschoentjes.