Een vrouw van indiaanse afkomst loopt zoekend te wandelen. Haar ogen speuren naar lichtgevend oranje bloemetjes. Zij noemt ze goudroosjes. Hun glans bezorgen haar altijd tranen in de ogen. Op bepaalde plekken staan ze in grote getale bijeen. Alsof een hogere macht het leuk vond om de aarde te voorzien van een oranje glans. Ze plukt de bloemen die er toch in overvloed zijn. Met haar gezin eet ze van de vrolijk gekleurde sla. Of ze het zich nu inbeeldt of niet; ze krijgt er een ontspannen gevoel van en haar kinderen slapen na het eten zo zacht als de uitstraling van deze flinterdunne roosjes. Als ze geluk heeft, hebben de bloempjes nog wat stuifmeel. Dat gebruikt ze als cosmetica. Met een kwastje verzamelt ze het in een potje. Bij een feestelijke aangelegenheid doet ze een beetje poeder op haar ogen en wangen en straalt ze bijna net zo mooi als de gouden dotjes. De uitgebloeide bloemen zijn ook prachtig. Het worden net pijlpuntjes en later blijft er enkel een roze schijfje over. Ze weet dat de rode papavers die binnenkort de natuur verfraaien, veel gelijkenis tonen met deze oranje liefjes. Ook hun werking is vergelijkbaar. Ze kijkt echter wel uit met papaver, want ze zijn veel krachtiger. Zoals de kleur aangeeft is het goudroosje meer geschikt voor kinderen en de rode papavers meer voor het volwassen werk. Wat de indiaanse vrouw niet weet, is dat het goudroosje in de huidige boeken Eschscholzia californica genoemd wordt. De Engelse naam luidt California poppy. Poppy is ook de naam van papaver en daarmee is de familieband gelegd. Als het koud is of als het donker wordt, sluit de bloem haar kroonbladeren. In Nederland worden de fragiele bloempjes daarom ook slaapmutsjes en goudpapaver genoemd. Oorspronkelijk komt het plantje uit het westen van Mexico en het Westen van de Verenigde Staten. In Californië staat het tere plantje zelfs symbool voor de staat. Er zijn eenjarige exemplaren en ook overblijvende. Als je ze eenmaal in je tuin hebt, kom je er echter niet zomaar vanaf. Ze vermeerderen zich in vrolijke vaart. De blauwgroene blaadjes zijn heel fijn en in koraalvorm gesneden. Het kruidachtige plantje bloeit onvoorstelbaar lang. Van het vroege voorjaar tot het najaar. De uitgebloeide bloem verandert op raadselachtige wijze in een hardere doosvrucht die nadat deze is uitgerijpt splitst in twee delen. Uit deze twee delen ontspringen met een zacht ‘poppygeluid’ de donkergekleurde zaden. In kouder klimaat overleeft het plantje niet. Enkel in de inheemse gebieden met zachter klimaat overleeft ze. In ons land wordt dat dus ook steeds vaker het geval. Een vrolijke bijwerking van een in slaap gesukkelde samenleving.

