Er was eens een schuwe vogel met prachtige veren. Vooral op zijn heldere ultramarijne blauw was de gaai dol! Hij vloog zoveel mogelijk over spiegelend water om een glimp van zichzelf op te vangen. Hij wachtte wel tot het rustig was, zodat andere vogels hem niet zouden zien. Bij het minste of geringste schrok hij zich te pletter en schreeuwde zijn schorre roep. De andere vogels wisten dat het vaak loos alarm was, maar toch zochten ze voor alle zekerheid dekking. Het zou namelijk zomaar kunnen dat die babbelzieke eikelzoeker gelijk had. Tijdens het begraven van zijn 4657e eikel liet de gaai ineens een veer vallen. Hij schrok zich opnieuw een hoedje. Hij pikte de veer op met zijn snavel en bracht hem naar zijn nest. Het was namelijk één van zijn mooiste exemplaren. Een verdrietige traan liep over zijn snaveltje. Direct daarna brak er een lachje door. Hij bedacht dat hij nu eindelijk zijn lievelingsveer zonder vreemde capriolen of zijn nek te verrekken van dichtbij kon bestuderen. De veer had een holle schacht die in het midden van de veer alle baardjes met verschillende kleurtjes bijeen hield. De blauwe, zwarte en bruine baardjes haakten in elkaar. De veer was daardoor heel krachtig. Hij wist dat zijn donsveertjes geen pen of schacht hadden. Als hij ging slapen en zijn snavel tussen zijn veren stak voelde hij hoe pluizig ze waren. Ze vormden zijn donzen maatpak. De dekveren die op de donsveertjes waren gerangschikt waren roodbruin en gaven hem zijn gestroomlijnde lijf. Zijn stuwkracht kreeg hij door zijn slagpennen aan de zijkant. En daar was dit uitgevallen exemplaar er eentje van. Zijn staartveren gebruikte hij om de sturen en af te remmen als hij weer eens iets engs zag. Daarom had hij verwacht dat zijn staartveren eerder versleten zouden zijn dan zijn slagpennen. Zijn angst remde hem tenslotte de hele dag door. Zonder zijn mooiste veer voelde hij zich kwetsbaar. Op zijn kleine rondjes ontmoette hij een duttende duif die zich loom uitschudde. Er vlogen wel 5 veren in het rond. De gaai schreeuwde van schrik. De duif roekoede verveeld en zei: “doe russss-tig. Heb je nog nooit een duif in de rui gezien?” “De rui, wat is dat?”, vroeg de gaai? De duif zei droog: dan verlies je je verenkleed, maar je krijgt er iets moois voor terug.” “Gebeurt dat ook bij mij?”, vroeg de gaai. “Weet ik veel”, zei de duif lusteloos. “Dat zul je wel merken.” De gaai was wat gerustgesteld door de nonchalante duif. Hij was niet de enige die een veer had gelaten. Terug op zijn nest besloot hij niet meer zo snel zijn veren te laten hangen. De volgende ochtend was hij vroeg uit de veren, trok zijn overgebleven dekveren op en zong voor de eerste keer in zijn leven een helder lied.

