Er was eens een zonderling mannetje. Hij was het liefste alleen en ontweek alle mensen stelselmatig. Hij gruwelde bij het idee dat men zijn naam te weten zou komen. Wat hij gek genoeg wél wilde, was een kindje waaraan hij al zijn merkwaardige talenten kon overdragen. Hij kon verschijnen waar en wanneer hij maar wilde en kon waardeloos materiaal omzetten in goud. Hij peinsde dag en nacht hoe hij een baby kon krijgen zonder al te dicht bij een ander levend wezen in de buurt te komen. Verstopt tussen de korenschoven ving hij het gesprek op tussen de molenaar en zijn buurman. De molenaar pochte dat het een lieve lust was. Hij zei: “wacht maar, binnenkort wordt mijn dochter koningin”. De buurman lachte schamper en vroeg hoe dat mogelijk was. De molenaar zei: “Ik heb tegen de koning gezegd dat mijn dochter van stro goud kan spinnen. Zo is ze het paleis in gesmokkeld. Als de koning haar schoonheid ziet, zal hij wel over stag gaan.” Het mannetje zag zijn kans schoon en toverde zichzelf naast het spinnewiel van de wanhopig huilende molenaarsdochter. Ze zou sterven als ze de volgende dag geen goud had geproduceerd. De koning bleek een hardvochtig man te zijn. Het mannetje liet de molenaarsdochter hem beloven om haar eerst geboren kind aan hem te geven als dank voor zijn hulp. Ze werd tot koningin gekroond en na een poosje baarde ze haar eerste kind. Al snel kwam het mannetje weer op de proppen. De vermoeid ogende koningin wist wat haar te doen stond. Ze pakte de baby op en stopte hem in een mandje. Een beetje verbaasd dat de koningin geen enkel verzet toonde, pakte het mannetje zonder enige gêne het mandje aan en verdween in het niets. De koningin was blij dat ze nog leefde en haar schuld had ingelost. Na enkele dagen verscheen het mannetje weer en vroeg of ze het kind alsjeblieft terug wou nemen. Het bleek een huilbaby te zijn, waardoor hij geen oog meer dicht deed. De koningin wilde echter een tegenprestatie. “Vertel me je naam”, zei de koningin. Hij liep vuurrood aan en perste zijn lippen op elkaar. Maar de koningin was niet te vermurwen en stampvoetend zei het mannetje dat hij Repelsteeltje heet. “Moet je daar nu zo moeilijk over doen?”, vroeg de koningin. “Ja”, zegt hij gegeneerd. “Ik wil niet naar zo’n kwetsbaar blauwpaars stervormig bloemetje heten.” De koningin zei geamuseerd; ik heb een orch idee; kijk maar eens. Repelsteeltje zag de wasachtige bloem en begon te stralen. “Als jij belooft om de baby ieder weekend op te halen, zal ik je Orch Idee noemen en tegen niemand zeggen dat je eigenlijk Repelsteeltje heet.” En zo zorgde Orch Idee met frisse tegenzin parttime voor zijn huilende leerling die nog te klein was om te beseffen dat hij over een poosje goud in handen zou hebben.

