De donkerste tijd is achter de rug en de dagen lengen. Kan het voor jou ook niet snel genoeg weer voorjaar zijn? Je hoort een groep sneeuwklokjes zachtjes klingelen en ziet wat vroegrijpe krokussen de eerste milde zonnestralen zoenen. Je kijkt de kruiden als het ware uit de grond en trekt als niemand kijkt de teergroene blaadjes uit laaghangende knopjes. Je tikt zachtjes met een staf van bloeiende toverhazelaar tegen suffe bolletjes en fluistert dat nu echt tijd wordt om op te staan. Tegelijkertijd krijg je op dat desolate moment een immens rijk gevoel van het idee dat al het uitbundige groen en de fleurige kleuren nog in het verschiet liggen. Je wil dan gek genoeg dat kaalste moment bevriezen en het even op en aan haar toppunt vasthouden. Je weet dat uit dit sobere jaargetij over een paar maanden een zee van bruisend fris leven ontspruit. Werkt het niet met alles zo? Uit uitersten worden nieuwe dingen geboren. Het loopt vol met leven of het stroomt leeg door afbraak. Het één volgt altijd het andere op. Niets blijft gelijk. In een verhoogd tempo, zo lijkt het. Dat geeft je hoop op vele vlakken. Vind je ook dat ons voorjaar tegenwoordig wel heel snel doorschiet naar de zomer? En dat de herfst zijn kleuren laat zien, voordat je goed en wel je warmte-uitslag met talkpoeder in toom hebt weten te houden? De zon dooft tijdelijk haar verzengende hitte en laat in afwezige overgave de donkere winter overheersen. Zo weet de zon haar waarde op te laden en wordt ze met diepe opgeluchte zuchten weer verwelkomd in het voorjaar. Zelfs door de mensen met een allergie die haar gewoonlijk mijden. Overal in de dorre winterse natuur ligt het nieuwe begin rustig te wachten op het startschot. Ze wacht het beste moment af, zodat ze met zoveel mogelijk furore tevoorschijn kan komen. Houd het goed in de gaten, want in een oogwenk is het voorbij en denk je; “huh, waarom moet ik zo niesen en heb ik zo’n jeuk aan mijn ogen?” Even verlang je dan terug naar de afgelopen kille winter en het dwarrelende najaar. Je komt tot de conclusie dat het uitgebloeide spul zo haar eigen charme heeft. Je besluit in het vervolg je neus voor geen enkel seizoen meer op te halen en je blaast met gebolde schraalrode wangetjes vrolijk wat helder witte wolkjes uit. Je laat de frisse kruiden, tere knopjes en slapende bloembolletjes met rust en je begint te genieten. Je voelt je net een winterkoninkje. Mensen lachen je toe en maken een praatje. Ze zeggen terloops bewonderend dat je zo straalt en je weet dat je op dat moment serieus concurreert met het doorbrekende waterige zonnetje.

