Aloë

Je bent op een tropisch eiland. Het kost je een rib uit je lijf, maar je voelt je meteen Adam en Eva ineen. De begroeiing is uitbundig en kleurrijk en lijkt op een tuincentrum in het wilde kwadraat. Je zintuigen staan wagenwijd open om al die wonderlijke variaties op de klanken en verschijningen van onze huismussen en merels op te vangen. De hagedissen kijken nieuwsgierig uit hun holletjes en wagen zich als de kust veilig is in de zon. Ook jij zuigt het licht op in al je blootgelegde poriën totdat je helemaal voldaan bent. Het is alsof de stralen vloeibaar zijn en je lichaam ze met grote teugen wil opslurpen. Het leven is gemakkelijk. De temperatuur is warm, constant en daardoor betrouwbaar. Je zou je met twee kledingstukken het hele jaar door kunnen kleden. Het ene hangt te drogen terwijl je het andere aan hebt. Je loopt van het land zo de zee in, omdat die ook aangenaam is van temperatuur. De overgangen zijn mild. Het lijkt wel een droombubbel waar je in leeft. Alle narigheid in de wereld is letterlijk en figuurlijk ver weg. Je kunt je niks meer voorstellen bij oorlog en strijd als je naar al die gekleurde vissen kijkt tijdens het snorkelen. De intense kalmte die daar onder water vindbaar is, leert je dat je je toch nog te vaak opwindt over onbelangrijke dingen. Als je je verdiept in het gewoon simpelweg ‘zijn’, is religieuze richting geen issue. Sterker nog, het komt niet eens in je op om te moeten kiezen voor het één of het ander. Je bent gewoon vredig te midden van alles wat er is. Je laat je in de stilte meevoeren met de stroming en kijkt af en toe boven het water uit of je niet te ver bent afgedreven. Want uiteindelijk moet je weer naar het vasteland. Waarom voel je je zo senang in dat water? Zou je je in je reptielenbrein nog kunnen herinneren dat je eerst een visje was? Dat zou pleiten voor de evolutietheorie. Je vindt het jammer dat je kieuwen in de loop der tijd verdwenen zijn, want van het door een buisje ademen word je uiteindelijk moe en je besluit om uit het water te stappen. Je vraagt je af wie nu eigenlijk het beste af is; de mens die meent dat alles verdeeld is of moet worden of het visje dat in zijn gigantische zee voelt dat het met alles is verbonden door het water waarin het zwemt. Of zouden vissen zich niet bewust zijn van het water om zich heen en zelfs ook hun eigen onzichtbare territoria afbubbelen? Zouden zij juist een beetje jaloers zijn op de mens die zich senang kan voelen in én boven water? Volgens Darwin moet het zoiets zijn geweest wat hen heeft doen ontwikkelen óf er moet een Godswonder hebben plaatsgevonden. Het staat dus als een paal boven water dat jalousie of God ervoor heeft gezorgd dat wij als nakomelingen van Adam en Eva nu niet ergens met hangende pootjes in zee aan het dobberen zijn. Met of zonder tropenkolder.