Zie ze zinderen in de zon. De zonnende aren drinken de avondstralen op alsof ze uitgehongerd zijn. En dat zijn ze ook. Ze hebben zich bijna verdronken aan het overvloedige water van de afgelopen tijd. Ze staan gelukkig wat hoger, maar desondanks slaan hun wortels bijna over naar rotting. Ze hebben zo weinig warmte en licht ontvangen dat ze zich iedere avond afvroegen of ze de volgende ochtend de moed nog zouden hebben om hun kopjes op te richten. Maar ja hoor, ze zijn taai en veerkrachtig. Zoals alles in de natuur. De natuur schikt zich gewoonweg naar de omstandigheden. Ze kan ook niet echt anders. Spontaan duikt er op de nieuwe waterplaatsen ander leven op, zoals brulkikkers en lijzige libelles die hun actieradius nog groter kunnen maken. Alle sloten, vennen en meren die door eerdere jaren waren uitgedroogd, zijn weer aangevuld. De zonnende aren hebben daarom gemengde gevoelens bij de nieuwe omstandigheden. Ze vinden het best lastig voor zichzelf, maar zien dat hun omgeving er op een bepaalde manier ook van opknapt. Schuldgevoel kruipt door hun stengels als ze zich afvragen of ze zo egocentrisch mogen zijn om de beste omstandigheden voor zichzelf af te smeken. Moeten ze de vele insecten en waterplanten om hen heen het juist gunnen dat de kraan hierboven maar niet dicht wordt gedraaid? Het mooiste zou een symbiose zijn. Dat iedereen zou gedijen in de nieuwe omstandigheden. Natuurlijk; het kost aanpassing van de status quo. En dat doet altijd pijn voor de wezens die het wel goed vonden zoals het was. De aren besluiten met volle waterloze teugen te genieten van de kortstondige gouden hemelverlichting en nemen zich voor om het water zo snel mogelijk door hun inmiddels gerimpelde worteltjes te laten afvoeren. Zolang dat nog kan. Wijs als ze zijn beseffen ze dat ze het totaal toch niet kunnen overzien. Ze laten het gelaten gebeuren. Met dát gevoel kunnen ze de volgende plensbui weer aan. Ze ondergaan hem in alle nederigheid en merken dat die houding een verfrissend gevoel geeft. Langzaamaan gaan ze houden van de neerslag. De miezer wordt hun vriend. En op dát moment breekt er weer een waterig zonnetje door. Het universum lijkt te zeggen: jullie hebben je lesje van overgave geleerd en verdienen weer een vleug van warmte. De aren weten niet wat ze voelen en kunnen nu zowel van de zon áls van de regen genieten. Een rijkdom die ze iedereen gunnen. Ze steken hun boodschap niet onder stoelen of banken door fier met hun kopjes in de wereld te prikken.

