In een biologische winkel midden in een klein dorpje dat omringd wordt door het groen, loopt een onschuldig beeldschoon meisje van een appel te eten. De biologische winkel wordt beheerd door een vrouw met donkere haren die in slordige slierten langs haar hoofd hangen. Ze heeft een verweerd gezicht zonder make-up. Ze lijkt een verbitterde vrouw die noest haar eigen sokken breit, ondertussen woest nadenkend over alles wat in haar ogen niet deugt in de wereld. Vreemd genoeg bekijkt ze zichzelf steeds in een klein handspiegeltje. De vrouw zegt zalvend tegen het meisje: “Zo, ben je een lekker biologisch appeltje aan het eten?” Het meisje kijkt op en zegt heel bleu: “Nou, dat weet ik niet. Het zou kunnen. Ik heb hem bij marktkoopman van der Wolf gekocht. Hij heeft erg mooi fruit.” De vrouw knijpt haar ogen tot spleetjes en zegt stellig: “Oh, maar dan is het geen biologische appel. Dat kun je wel vergeten.” Het meisje voelt zich onmiddellijk schuldig en vraagt zich af of ze nu iets heel slechts heeft gedaan. Ze kijkt wat rond en vindt twee mooie kruidenplantjes. Bij de kassa vraagt ze bedeesd of ze haar appelkroosje weg mag gooien. De ecologisch verantwoorde vrouw zegt geschokt: “Oh nee, dat houden we hier strikt gescheiden. Bespoten appels komen niet in ons afval terecht. Als je het weg wilt gooien, gooi het dan maar bij de zeven geitjes aan de overkant. De eigenaars kijken niet zo nauw”. Het meisje kon haar oren niet geloven. Spontaan kreeg een oprisping. Een stukje appel kwam naar boven. Verbaasd hoestend verlaat ze de winkel. Uit pure opstandigheid gooit ze haar kroosje stiekem in het bosje naast de winkel. “Au”, klinkt er uit het bosje. Een blauw puntmutsje komt tevoorschijn en direct daarna verschijnt er nog een zestal. Er zitten kleine mannetjes onder. Ze stellen zich voor als dwergen. De dwerg met het blauwe mutsje zegt tegen het meisje: “Ik schrik me rot van jouw giftige kroosje. Heb je het nu nóg niet geleerd? In jouw vorige leven heeft de prins je nog nét weten te redden van die vreselijke vrucht. En nu loop je er gewoon weer vrolijk op te knagen.” Het meisje begrijpt er helemaal niks van. Ze vindt de mannetjes wel grappig en vraagt haar kroosje terug. Ze gooit het bij de zeven geitjes die dankbaar mekkeren. “Met de groeten van koopman van der Wolf”, zegt het meisje wat ontregeld. Ze is blij dat de geitjes haar knapperige kroosje wél kunnen waarderen. Ze stapt verdwaasd in haar sneeuwwitte eend, geeft een peut gas en verdwijnt ronkend in een roetzwarte rookwolk. Ze vraagt zich af in wat voor bizarre wereld ze nu weer terecht gekomen is. Ze weet werkelijk van geen prins en kwaad…

