Daar waar de ene persoon met gemak grenzen kan aangeven, is het voor de ander uiterst moeilijk om te voelen wanneer die bereikt zijn. Zou het te maken kunnen hebben met een mechanisme? Als je vanuit je eigen middelpunt de omgeving benadert en je blijft polsen hoe hetgeen je meemaakt voor jou voelt, zal het mogelijk eenvoudiger zijn om te weten wat past. Dit zijn de mensen die kunnen aangeven: ‘tot hier en niet verder’. Deze mensen worden niet per se gezellig gevonden, omdat ze niet altijd meebewegen met de ander die mogelijk van alles wil. Als je je focus legt op ‘buiten’, zonder ijkpunt in jezelf, zul je je waarschijnlijk snel aanpassen aan wat je tegenkomt, meebewegen en vooral rekening houden met andermans behoeften. Dit zijn de mensen die er veel later of nooit achter komen wat bij hen past. In het meest extreme geval geven zij zich compleet over aan de omgeving, totdat ze tegen een figuurlijke oever aanbotsen of totdat hun brandstof op is geraakt. Dit zijn ook de mensen die zolang ze ‘lopen’ leuk worden gevonden en ‘gemakkelijk’ zijn.
Als je het in een beeld zou kunnen vertalen zou je de persoon die vanuit zijn eigen centrum vertrekt kunnen zien als een paraplu. De as die verbonden zit aan de steel is het eigen centrum. Die steel wordt stevig vastgehouden door jezelf. Je zou de baleinen kunnen zien als je rek die eindigt in de uiterste punten, maar altijd in contact blijft met je centrum. De persoon zonder centrum is te verbeelden als een luifel met enkel aan de hoeken wat stokken. Hoe sterker en hoe meer energie de persoon heeft, hoe groter de overspanning zal zijn.
Wat is nou het verschil tussen het paraplu- en luifeltype? Ze kunnen allebei overspannen raken. Het doek kan knappen of scheuren als de neerslag te sterk wordt. De baleinen van de paraplu kunnen door de spanning op het scherm omklappen als de wind uit onverwachte hoek komt. Het komt echter bijna nooit voor dat de steel van de paraplu breekt. De paraplumens zal wel moe kunnen worden als er te hard getrokken wordt, maar waarschijnlijk niet geheel uit zijn centrum wegschieten. Het luifeltype daarentegen kan gemakkelijker ineens het gevoel krijgen dat het allemaal teveel is, doordat de stokken te ver weg, te dichtbij of op plekken staan die veel energie opslurpen. De wind kan onder het luifeldoek slaan en deze mens vliegt snel weg als de haringen niet heel stevig zijn verankerd. Een luifeltype loopt het risico zich, door gebrek aan middelpunt, leeg en verloren te voelen na teveel uitgifte van energie. Of je je nu meer een paraplu- of luifeltype voelt: veranker je aan je denkbeeldige middelpunt óf houd je veerkrachtige pluutje stevig vast! Dan waai je heel bewust en moeiteloos met alle onoverkomelijke en gewenste winden mee.

